Djokja/Solo - Beeld van de Vorstensteden ‘Al heb ik een uitgesproken Westersche opvoeding gehad, toch ben en blijf ik in de allereerste plaats Javaan.’ Aldus de jonge Hamengkoe Boewono IX in zijn troonrede op 18 maart 1940, ter gelegenheid van zijn installatie als sultan van Djokjakarta. Treffender had ‘Sultan Henk’, zoals hij door zijn Nederlandse vrienden vaak werd genoemd, het wezen van zijn aard en zijn bewind in de jaren nadien inderdaad niet kunnen uitdrukken. De troonsbestijging van Hamengkoe Boewono IX markeerde toen voor Djokja het begin van een turbulente periode in de geschiedenis, waarin de sultansstad onder zijn leiding uiteindelijk, via haar tijdelijke rol als regeringszetel van de Republiek Indonesië in de jaren 1946-1949, de aloude rivaal Solo voorgoed zou voorbijstreven als politiek, economisch en cultureel centrum van de Vorstenlanden. In Solo waren juist de twee voorafgaande decennia een tijd van vooruitgang en bloei geweest, met name in het noordelijke stadsdeel onder bestuur van de tweede vorst, de progressieve Mangkoe Nagoro VII. Wat Hamengkoe Boewono IX in 1940 over zijn persoonlijke instelling zei, gold toen in feite ook voor Djokja en Solo in het algemeen. Veel meer dan in het geval van de typisch Nederlands-koloniale kustplaatsen op Java, waren het ontstaan van de Vorstensteden in de 18de eeuw, de aard van hun samenleving, hun latere stedenbouwkundige ontwikkeling en hun culturele centrumfunctie het resultaat geweest van een voortdurende wisselwerking tussen traditioneel-Javaanse en westerse invloeden. Dit aspect van Djokjakarta en Soerakarta als ontmoetingsplaats van Oost en West vormt dan ook bij uitstek het centrale thema in het voorliggende, voorlopig laatste deel in Asia Maiors Indische Steden-reeks, Djokja en Solo - Beeld van de Vorstensteden. Op basis van dit uitgangspunt en als voortvloeisel uit de omstandigheid dat het hier een Nederlandse boekuitgave betreft, ligt de nadruk daarin enigszins anders dan in gangbare, in oorsprong overwegend Angelsaksische populaire literatuur over Djokja en Solo. Deze laatste legt het accent meestal sterk bij de ‘exotische’ aspecten van de Javaanse cultuur, terwijl de historische achtergronden van beide steden doorgaans niet verder worden uitgewerkt dan tot een min of meer sjabloonmatig en vaak ook nogal politiek-correct overzicht van enkele belangrijke gebeurtenissen zoals de deling van het Mataramse rijk, het Britse interim-bestuur en de periode van Djokja’s functie als Republikeinse regeringszetel. Het Nederlandse koloniale bewind krijgt daarbij vrijwel steeds een marginale en bij voorbaat negatieve rol toebedeeld, waar dit in werkelijkheid juist een der voornaamste bepalende invloeden in de wordingsgeschiedenis van de Vorstenlanden en hun hoofdplaatsen is geweest. In Djokja en Solo - Beeld van de Vorstensteden wordt nu in de eerste plaats beoogd, op objectieve wijze recht te doen aan de koloniaal-historische achtergronden en samenhangen in de ontwikkeling van beide steden. Hoewel zij geen direct verband houden met het huidige Djokja en Solo, komen daarbij als eerste kort de oudste boeddhistische en hindoeïstische culturen van Midden-Java aan de orde, waarvan de nagelaten tempelcomplexen van ondermeer de Boroboedoer, Mendoet, Dieng, Prambanan en Soekoeh tegenwoordig de belangrijkste toeristische trekpleister in deze regio vormen. De werkelijke geschiedenis van de Vorstensteden begint hier evenwel met de stichting van het grote Javaanse rijk Mataram in de late 16de eeuw. De stapsgewijze reductie van dit machtige vorstendom na ca. 1670 ten voordele van de Verenigde Oostindische Compagnie, mede als gevolg van steeds weer oplaaiende opvolgingskwesties aan het hof, leidde in 1755 uiteindelijk tot de deling van het rijk in de afzonderlijke Vorstenlanden Djokjakarta en Soerakarta. Twee jaar na dit Verdrag van Gianti volgde in Soerakarta al de afscheiding van de Mangkoenagaran, ook weer onder toezicht van de VOC, terwijl in 1812 Brits ingrijpen in Djokjakarta daar eveneens aanleiding gaf tot de instelling van een tweede vorstenhuis, de Pakoealaman. Vervolgens gaat met betrekking tot de 19de eeuw de aandacht allereerst uit naar de problemen rond de terugkeer van het Nederlandse gezag, die in 1825 uitmondden in de grote Java-oorlog. Deze eindigde pas in 1830, met de gevangenneming van prins Dipo Nagoro in Magelang. De ontwikkeling van Djokja en Solo gedurende de volgende decennia stond vooral in het teken van de opkomst van het Europese particuliere cultuurbedrijf in de Vorstenlanden. Elders op Java was in deze periode het Cultuurstelsel van kracht, dat particulier ondernemerschap in het groot landbouwbedrijf daar vrijwel onmogelijk maakte. De Vorstenlandse cultures nemen in de economische geschiedenis van Nederlands-Indië dan ook een opmerkelijke uitzonderingspositie in, die van buitengewone betekenis is geweest voor de verdere maatschappelijke ontwikkeling in deze regio. Het Europese cultuurbedrijf, dat hier was gebaseerd op de huur van gronden en feodale arbeidsverplichtingen van adellijke bezitters van landrechten, de zogenoemde apanagehouders, leverde bijvoorbeeld een zeer aanzienlijk deel van de inkomsten van de vier vorsten. Daarnaast speelde het een belangrijke rol bij de beginnende verwestersing van de Vorstenlanden, in het bijzonder in de steden Djokja en Solo, en vormde het voor een aantal vorsten, met name uit het Mangkoenagarase Huis, een krachtige stimulans om zelf als cultuurondernemer actief te worden. Na 1870, toen het Cultuurstelsel geleidelijk aan werd ontmanteld en Nederlands-Indië goeddeels open kwam voor de Europese grootlandbouw, verloren Djokjakarta en Soerakarta in dit opzicht hun bijzondere status. De jaren nadien werden een tijdperk van toenemende gelijkschakeling met de gouvernementslanden op Java, met steeds verdergaande beperkingen van de vorstelijke macht en op alle terrein groeiende invloed van het Nederlandse element in de Vorstensteedse samenleving. Na de eeuwwisseling dwong de Ethische Politiek de vorstenbesturen tot grootscheepse maatschappelijke hervormingen, terwijl tegelijkertijd juist in Djokja en Solo de kiem werd gelegd voor de opkomst van de Indonesische onafhankelijkheidsbeweging. In de decennia voor de Tweede Wereldoorlog kregen de Vorstensteden met ondermeer de ‘Europeesche’ stadsuitbreidingen Kota Baroe en Villapark hun zo unieke Javaans-Nederlandse aanzien, dat in de herinnering van zovelen nog altijd voortleeft als de essentie van het specifieke eigen karakter van beide plaatsen. Die afsluitende jaren van Nederlands bewind bleken later ook de laatste periode van het traditionele vorstenbestuur. In de meest directe zin werd dit al duidelijk in 1939, toen in beide steden de oude hoofdvorsten overleden, die voordien tientallen jaren lang het ‘gezicht’ van Djokja en Solo hadden bepaald: de wat afstandelijke, teruggetrokken Sultan Hamengkoe Boewono VIII en de grillige, flamboyante Soesoehoenan Pakoe Boewono X. In Djokja had de jonge troonopvolger inderdaad een ‘door en door Westersche’ vorming ondergaan, compleet met een negenjarig studieverblijf in Nederland. Niettemin, of juist daardoor, zou Hamengkoe Boewono IX zich zes jaar later mede aan het hoofd stellen van de Indonesische revolutie en aldus na de soevereiniteitsoverdracht beloond worden met het behoud van een deel van zijn bestuursmacht over Djokjakarta, als gouverneur van de centrale regering. In Solo daarentegen kwam op beslissing van het Gouvernement in 1939 de al oudere, in zwakke gezondheid verkerende prins Hangabehi op de troon als Pakoe Boewono XI, die kort voor het einde van de Japanse bezetting reeds overleed. Indirect kreeg dit Nederlandse ingrijpen aldus zeer verstrekkende en blijvende gevolgen. De onervaren, pas twintigjarige Pakoe Boewono XII, die in juli 1945 geheel onvoorbereid zijn vader moest opvolgen, bleek in de navolgende revolutiejaren niet in staat adequaat op de veranderende politieke omstandigheden in te spelen. Evenals Mangkoe Nagoro VIII, die in 1944 onder vergelijkbare omstandigheden zijn vader was opgevolgd, werden hem door de Republiek Indonesië na de soevereiniteitsoverdracht definitief de vorstelijke bestuursrechten ontnomen. Deze geschiedenis wordt in Djokja en Solo - Beeld van de Vorstensteden natuurlijk uitvoerig belicht, maar met betrekking tot de jaren van oorlog, bezetting en Indonesische onafhankelijkheidsstrijd is er ook ruim aandacht voor de Nederlandse betrokkenheid, met ondermeer de interneringen van krijgsgevangenen en burgers, de positie van de Indo-Europese bevolking, de bersiap-tijd en de Republikeinse kampen. Een bijzondere plaats is ingeruimd voor de spectaculaire Nederlandse luchtlanding op Magoewo en de andere militaire operaties bij de verovering van Djokja en Solo tijdens de Tweede Politionele Actie in december 1948, en voor de aansluitende periode tot de ontruiming van beide steden in respectievelijk juni en november 1949. In de verdere geschiedenis na 1950 ligt de nadruk op de voortgaande bloei van Djokja als ‘culturele hoofdstad’ van Java, tegenover Solo’s gelijktijdige terugval tot provincieplaats van de tweede bestuurlijke rang. Ten slotte is hier de actualiteit van mei 1998 van belang, toen Djokja enolo beide een belangrijke, maar onderling sterk afwijkende rol vervulden bij de dramatische gebeurtenissen rondom de val van het regime-Soeharto.